Wanneer moet ik de richtingaanwijzers gebruiken?
De richtingaanwijzers zijn heel belangrijk om te communiceren in het verkeer. U gebruikt ze om uw bedoelingen duidelijk te maken aan de andere weggebruikers. Ze moeten elke keer gebruikt worden als u met een voertuig van richting verandert of een zijdelingse verplaatsing uitvoert. Zodra het uitwijkmanoeuvre of de zijdelingse verplaatsing gebeurd is en u dus weer rechtdoor rijdt, moet u de richtingaanwijzers afzetten.
U verandert van richting als u ergens naar links of naar rechts afslaat. Ook een rotonde verlaten wordt beschouwd als een verandering van richting. Dus: de richtingaanwijzers niet opzetten bij het oprijden van de rotonde, maar wel bij het verlaten. Als u op de rotonde zelf van rijstrook verandert, moet u natuurlijk ook uw richtingaanwijzers aanzetten.
U maakt een zijdelingse verplaatsing in de volgende gevallen: u verandert van rijstrook, haalt een fietser in die op de rijbaan rijdt, rijdt een stilstaand voertuig voorbij, parkeert of rijdt weg uit een parkeerplaats, of u keert. Met de richtingaanwijzers geeft u aan of u zich naar links of naar rechts wilt verplaatsen.
Zet de richtingaanwijzers altijd tijdig aan. Op die manier zien andere weggebruikers dat u een manoeuvre of een zijdelingse verplaatsing gaat uitvoeren en kunnen ze zich daaraan zo nodig aanpassen.



